Melancholia?

“Waar is den tijd van toen
die goeien tijd van toen ge met ‘ne frang
nog wondere kon doen”

Vrees niet, ik ben allesbehalve melancholisch. Maar toen ik afgelopen weekend dit stukje uit een nummer van de Strangers (jawel, mijn vader is fan) hoorde, moest ik toch even stilstaan bij alle veranderingen die zich de afgelopen jaren hebben voorgedaan. Zo herinner ik mij maar al te goed mijn blijdschap bij het krijgen van 100 frank van mijn grootouders en hoe vervelend het was om die onhandige eerste identiteitskaart in mijn portefeuille te krijgen. Tegenwoordig kunnen we ons zulke taferelen niet meer voor de geest halen, tijden veranderen en we moeten mee met onze tijd, willen of niet…

Online overheid

Waar we een aantal jaren geleden nog voor de kleinste pietluttigheid naar het stadhuis moesten trekken, kunnen we tegenwoordig bijna alle problemen via het internet oplossen. Zo is er vandaag de dag de e-overheid, het digitale broertje dat het contact tussen burgers en de overheid zou moeten vergemakkelijken. Op papier oogt dit allemaal heel mooi, maar de realiteit is toch minder rooskleurig. De e-overheid is namelijk eerder een middel om administratieve hervormingen door te voeren.

Het rapport Boosting the Net Economy (2000) waarschuwt ons zelfs dat de e-overheid een grensoverschrijdend karakter kan aannemen. Er wordt nog niet gevreesd dat nationale overheden in de wereld moeten concurreren om de gunsten van hun onderdanen, maar het is wel duidelijk dat we wel degelijk moeten opletten met deze digitale overheden. J.E.J. Prins (2001, p. 1) verklaart hierover het volgende: “In een virtuele wereld waar nationale grenzen hun relevantie verliezen en burgers vrij toegang hebben tot de wereldwijd beschikbare informatie en diensten, zullen deze burgers zich ook in toenemende mate bewust worden van de verschillen tussen wat hun eigen nationale overheid heeft te bieden en wat er in het buitenland ‘te koop’ is.”

Het blijft dus voorlopig nog koffiedik kijken hoe deze E-overheid gaat evolueren. Zoals bij vele aspecten van de technologie het geval is, zit er hierin heel wat potentieel, maar de mogelijke gevaren en problemen mogen we niet zomaar naast ons neerleggen.

In love with Obama

Maar niet alleen op overheidsvlak kent de digitalisering een boost, ook de politiek en de digitalisering gaan steeds meer hand in hand. De nieuwe technologieën worden door politieke partijen en verkiezingskandidaten dan ook steeds meer en meer gebruikt om campagne te voeren. In België staat dit fenomeen nog in de kinderschoenen, maar in de Verenigde Staten is het al volledig ingeburgerd.

De doelstelling van deze e-campagnes is een grotere mobilisatie van de kiezer. Onzin volgens u? Ga dan maar eens een hartig woordje bespreken met Barack Obama. De Amerikaanse president voerde namelijk hevig campagne via sociale netwerksites. Daarnaast maakte Obama ook gebruik van de zogenaamde MyBo databases. Via http://my.barackobama.com kon de Amerikaanse burger zich kandidaat stellen als vrijwilliger of een som geld doneren via het internet. Ook op YouTube was de kersvers herkozen president zeer actief tijdens zijn campagnevoering, zo zijn er meer dan 1800 filmpjes van hem te vinden.

En over Youtube gesproken, herinnert u zich nog de Obama Girl die in 2008 opstal maakte met een filmpje waarin ze haar adoratie voor de presidentskandidaat niet onder stoelen of banken stak? Wie dacht dat de populariteit van Obama hierdoor zou slinken, was aan het verkeerde adres. Natuurlijk wil ik jullie deze internetsensatie niet onthouden…

Bij de verkiezingen van dit jaar verscheen er zelfs een filmpje van de Obama boy. Naar aanleiding van het pro-homohuwelijkstandpunt van Obama, publiceerde hij zijn eigen R&B-versie van ‘I have a crush on Obama’.

Of Obama zijn herverkiezing alleen maar te danken is aan zijn e-campagne, hoor je mij niet zeggen. Feit is wel dat het internet volgens Talbot (2008) een zeer positieve invloed heeft gehad op de populariteit van Mister president. Toch was Obama niet de eerste die digitale campagne voerde. Howard Dean, eveneens een democratische Amerikaanse politicus, slaagde er in een zeer succesvolle internetcampagne op poten te zetten waarbij hij heel wat steun van de bevolking kreeg en waardoor er heel wat geld in het laatje kwam. Ondertussen horen blogs, podcast, sociale netwerksites zoals Facebook en Twitter en Youtube al tot het gewone elektorale arsenaal in de States. Europa hinkt echter nog wat achterop, maar het is slechts een kwestie van tijd vooraleer de verkiezingsgekte ook op het internet zijn intrede maakt.

Burgers baas!

E-democratie betekent volgens Van Gompel, Steyaert en Kerschot (2007) het gebruik van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën. Het internet, smartphones en de digitale televisie bieden hierbij heel wat mogelijkheden. Door deze nieuwe technische snufjes kan ook de gewone sterveling steeds actiever deelnemen, participeren, aan het politieke gebeuren in een land.

Van Gompel, Steyaert en Kerschot onderscheiden in hun onderzoek vier gradaties van participatie. Ten eerste wordt de burger door de overheid geïnformeerd en op de hoogte gehouden van het beleid. Daarnaast vraagt de overheid haar burgers tegenwoordig ook om feedback te geven over datzelfde beleid. Ten derde kunnen inwoners van een land nu ook actief deelnemen en meedenken met de overheid. Ze kunnen namelijk zelf beleidsproblemen en zelfs oplossingen formuleren. Tot slot kan de burger tegenwoordig rechtstreeks meebeslissen met de overheid. Er is dus sprake van een hiërarchische verdeling, hoe hoger men op de ladder gaat, hoe meer actieve inbreng een burger kan hebben.

E-participatie is dus de manier bij uitstek om maatschappij en politiek op elkaar af te stemmen. Doordat ze kunnen participeren, geven inwoners veel preciezer weer wat hun wensen, problemen en behoeften zijn. Er is echter een probleem met de representativiteit: de stem van de sterk gemotiveerde minderheid gaat namelijk zwaarder doorwegen dan die van de minder geïnteresseerde minderheid. Zo gaat Jan met de pet, die misschien wel zeer belangrijke punten heeft aan te merken, minder snel aanhoord worden dan een grote groep die collectief gaan participeren.

Om eerlijk te zijn, de e-participatie en de e-overheid zijn voor mij een ver-van-mijn-bedshow. En dat mag, als het van mij afhangt, nog zo even blijven. Ik ben zeker een voorstander van de digitalisering, maar we moeten hier niet in overdrijven. Ik zie mijn buurvrouw van 73 nog niet dadelijk gebruik maken van de website van de overheid. En het is toch net de bedoeling om de digitale kloof te dichten? Niet nog een beetje groter te maken… Hmm, ik zei dat ik niet melancholisch was, maar nu begin ik er toch zelf wat aan te twijfelen… (GVS)

Bronnen

Digitale mosterd

“Journalisten geloven de leugens van politici niet, maar ze verspreiden ze wel. Dat is nóg erger!” Coluche verwoordde op een harde manier het beeld dat veel mensen helaas over journalisten hebben. Maar is dit beeld wel correct en staan onze kranten en nieuwsuitzendingen echt vol met quatsch en kwakzalverij? Zowel de plaatselijke reporter als de populaire Rudi Vranckx zou wel degelijk zijn nieuws moeten controleren vooraleer het de wereld in te sturen. Maar gebeurt dat wel? En waar haalt de journalist tegenwoordig zoal zijn mosterd?

Tijdsgebrek

Het proces van nieuwsgaring verloopt volgens Machill en Beiler (2009) in drie fasen. De journalist gaat eerst op zoek naar een onderwerp en schat hiervan de relevantie in. Daarna volgt de cross checking, waarbij zowel de feiten als de bron gecontroleerd worden. Tot slot werkt hij zijn idee uit en zoekt indien nodig wat extra, relevante informatie. Klinkt op papier allemaal heel mooi, toch? De realiteit oogt echter minder fraai…

Het proces van cross checking wordt namelijk regelmatig nogal vanzelfsprekend behandeld. Zo besteden de journalisten volgens Machill en Beiler slechts 11 minuten per dag aan het checken en controleren van bronnen op betrouwbaarheid en correctheid. De belangrijkste reden hiervoor is tijdgebrek. Het leven van de journalist laat zich dan ook kenmerken door haast, time management is uitermate belangrijk. En net daar wringt soms het schoentje. Helaas kiest de journalist te vaak voor de simpelste manier en gaat hij er te dikwijls vanuit dat de verkregen informatie wel waar is. (Zie blog ‘Luiewijvenjournalistiek?‘)

Op weg naar een bureaujob?

Maar van welke bronnen maakt de journalist dan zoal gebruik in die schamele 11 minuten? Oorspronkelijk haalde hij onder andere de nodige informatie uit persconferenties en andere media. Ook informanten en woordvoerders speelden een belangrijke rol in het proces van de nieuwsgaring. Uit een onderzoek van Raeymaeckers, Paulussen en De Keyser (2008) wordt duidelijk dat 60% informatie haalde bij collega-journalisten en dat ook politici, geheime informanten en bekende Vlamingen populair waren.

Vandaag de dag kunnen we ons dergelijke ouderwetse taferelen bijna niet meer voorstellen. Het internet is namelijk niet meer weg te denken uit ons leven en ook in de journalistiek won dit medium snel aan popluriteit. Paulussen (2004) kwam in zijn onderzoek dan ook tot een paar interessante resultaten. Aan de hand van enquêtes bij 1026 Vlaamse beroepsjournalisten concludeerde hij dat, net zoals in de Verenigde Staten, het internet een zeer belangrijk instrument geworden is voor de journalist. E-mail is de meest gebruikte toepassing van het internet bij journalisten, gevolgd door websitebezoek en zoekmachines. Het World Wide Web heeft bovendien niet alleen een communicatiefunctie, maar ook een informatiefunctie. Het is namelijk uitgegroeid tot de bron van informatie bij uitstek voor journalisten. Vooral zoekmachines, persarchieven en nieuwsbrieven worden veel geraadpleegd. Discussielijsten, chat en nieuwsgroepen zijn nog niet zo populair bij de journalist. De belangrijkste reden voor de journalist om zich op het wereldwijde web te geven is het volgen van de actualiteit. Daarnaast wordt het ook gebruikt om doelgericht informatie te zoeken, andere media te volgen, persberichten te lezen en informatie te controleren.

De invloed van het internet op de journalistiek (Paulussen, 2004, p. 241)

In bovenstaande tabel worden de gevolgen van het internet voor de journalist op een rijtje gezet. Hieruit blijkt dat er een aantal voordelen verbonden zijn aan het internetgebruik. Zo verklaart 60,2% van de ondervraagde journalisten dat ze door het internet sneller informatie kunnen vinden. Daarnaast is 51,3% het ermee eens dat ze meer informatie kunnen verzamelen dan vroeger door het internet. 38,7% van de journalisten beweert bovendien dat ze op het internet bronnen tegenkomen die ze anders nooit zouden vinden. Aan de andere kant beweert ook een groot deel (58,9%) van de ondervraagden dat ze door het internet te kampen krijgen met onbetrouwbare informatie. Uit het onderzoek blijkt ook dat door de opkomst van het internet de nood aan technische vaardigheden bij de journalist stevig toegenomen is. Daarnaast is er ook een aanzienlijk deel van de journalisten dat denkt dat de journalistiek aan het evolueren is naar een ‘saaie bureaujob’ door deze nieuwe technologieën.

De opkomst van het internet heeft dus zeker heel wat voordelen met zich meegebracht voor de journalist. Zo kan hij sneller aan een grotere hoeveelheid informatie geraken en kan hij zelfs informatie raadplegen die hij zonder het internet nooit gevonden zou hebben. Daartegenover staat wel dat de journalist tegenwoordig meer werk achter zijn bureau verricht, moet beschikken over meer technische vaardigheden om goed te werken met de computer en het internet en dat hij regelmatig met dubieuze informatie wordt geconfronteerd. Bovendien heeft het internet als bron niet geleid tot minder afhankelijkheid van officiële nieuwsstromen en -bronnen.

Wat met Facebook en Twitter?

Naast de ‘traditionele’ websites zien we de laatste jaren nog een nieuw digitaal fenomeen opduiken als journalistieke bron, namelijk de sociale media. Sommige mensen zien Facebook en Twitter als de redding in nood, anderen staan hier zeer sceptisch tegenover. Feit is wel dat in 2009 amper 9% van de beroepsjournalisten op Twitter te vinden was, terwijl dat dit jaar al meer dan de helft (51%) een account blijkt te hebben. Facebook wordt zelfs door 64% van de journalisten gebruikt. (Quadrant Communications, 3 mei 2012).

Vooral Twitter bewijst tegenwoordig zijn nut voor de journalistiek. Zo kan een journalist via Twitter snel een zicht krijgen op het belangrijkste nieuws en kan hij via de zogenaamde hashtags (#) gericht zoeken naar informatie. Toch moeten we nog steeds opletten, want te vaak verschijnt er valse informatie op dit medium. Tegenwoordig wordt de hashtag #unconfirmed wel gebruikt, waardoor de journalist wel degelijk even aan de alarmbel kan gaan rinkelen.

Een goede raad…

Het is dus maar de vraag of de opkomst van het internet als journalistieke bron wel degelijk zo een zegen geweest is voor ons geliefkoosde beroep. De journalist moet in de korte tijd die hij heeft dan ook kritisch zijn ten opzichte van de geraadpleegde websites. Een handig hulpmiddel hierbij zijn de 5 W-vragen. (Wie vertelt mij dit nieuws? Wanneer vertelt hij mij dit? Waar speelt het feit zich af? Waarom vertelt hij dit? Wat vertelt hij eigenlijk?)

Daarnaast is het ook belangrijk dat de journalist de websites fatsoenlijk controleert. Als het kleurgebruik te flashy is, er geen informatie te vinden is over de auteur of geen bronvermelding vermeld staat, mag er wel eens getwijfeld worden aan de betrouwbaarheid van dit bericht. De digitale mosterd mag dan wel aantrekkelijk lijken, maar met het oude, vertrouwde recept is nog steeds niks mis… (GVS)

Bronnen

  • Michiele, M. & Beiler, M. (2009). The importance of the internet for journalistic research. A multi-method study of the research performed by journalists working for daily newspapers, radio, television and online. Journalism Studies, 10(2), 178-2003.
  • Paulussen, S. (2004). Journalistiek@Internet.be: Een studie naar de mogelijkheden en gevolgen van het internet voor de journalistieke nieuwsgaring en nieuwsproductie. Universiteit Gent, België
  • Quadrant Communications (2012, 3 mei). Meerderheid Belgische journalisten gebruikt twitter [persbericht].
  • Raeymaeckers, K., Paulussen, S. & De Keyser, J. (2008). De beroepsjournalist in 2008: een profielstudie (deel 3, slot). De Journalist, september, 6-8.

Let’s get digital

Ik pleit schuldig: al meerdere keren heb ik gevloekt op de internetverbinding in de HUB. Om nog maar over dat vermaledijde kotnet in Leuven te zwijgen dat me soms volledig in de steek laat. Tja, valt het op dat een een slechte internetverbinding mijn humeur inderdaad al eens parten kan spelen? Als kind van de technologie is dat mijn volste recht! Toch ben ik niet altijd zo’n hoopje gefrustreerde ellende. Want eerlijk, in een tijd waarin de digitale kloof een belangrijke rol speelt, hoeft ik toch allesbehalve te klagen…

In de prullenbak ermee

Ik hoor het jullie zo denken: de digitale kloof, wat is me dat voor een abstract begrip? En ongelijk kan ik jullie niet geven. Er is namelijk geen uniforme betekenis voor dit fenomeen.Voor de ene betekent het de (on)mogelijkheid om het wereldwijde web te verkennen, voor de andere weerspiegelt het de technologische capaciteiten die iemand bezit. Volgens Van Dijck (2003) is de discussie over de digitale kloof dan ook zeer oppervlakkig. Zo is hij tot de conclusie gekomen dat het debat rond dit fenomeen beheerst wordt door het feit of mensen een computer bezitten of niet en dat er weinig of geen aandacht besteed wordt aan de computervaardigheden. Daarnaast wordt de sociale context, de levensstijl en de persoonlijkheid van een mens volledig genegeerd, terwijl deze facetten ook een grote invloed hebben op de digitale kloof.

Naast de vage definitie van de digitale kloof is er nog een ander probleem: hoe wordt dit onderscheid gemeten? Juist ja, dit begrip valt niet meten. We kunnen wel kijken naar de verschillen tussen mannen of vrouwen, tussen jongeren en ouderen in een bepaald land. Het zou echter veel te oppervlakkig zijn om nu zomaar al deze componenten en landen met elkaar te gaan vergelijken en daar conclusies uit trekken.

Potter (2006) stelt dan ook voor om de term ‘Digital Divide’ in de prullenbak te gooien en te vervangen door de zogenaamde ‘zones van stilte’. Het doel van deze naamsverandering is het beter weergeven van de complexe realiteit. Daarnaast legt deze nieuwe term de klemtoon op de context en de diversiteit van de verschillende landen en bevolkingsgroepen, wat voordien niet het geval was.

Er is dus geen sluitende definitie van The Digital Divide, maar dat wil niet zeggen dat we dit probleem volledig moeten verwaarlozen, want er is wel degelijk een grote kloof aanwezig. Zo waren er op het eind van 2008 meer internetgebruikers in Frankrijk dan in het hele continent Afrika en blijken de computervaardigheden van heel wat  jongeren nog steeds ondermaats.

Redding in nood

Sinds Kofi Annan in 1999 de term in het “Human Development Report” van de Verenigde Naties introduceerde heeft het begrip een prominente plaats in het ontwikkelingsdiscours van arme landen. Men ging de technologie steeds meer aanzien als de oplossing voor alle mogelijke problemen. Van armoede tot onderwijs, van tewerkstelling tot sociale gelijkheid. Heel wat maatregelen werden getroffen om de digitale ongelijkheid te verkleinen. Zo besloot men op het congres van Geneve in 2003 dat in 2015 meer dan de helft van de wereld toegang moet hebben tot de elektronische wereld.

Een glazen bol heeft natuurlijk niemand en we kunnen amper voorspellen wat er zich in de komende jaren zal gaan afspelen. Er zijn dan ook heel wat hypothesen over de evolutie van de digitale kloof. Sommige beweren dat de kloof enkel maar gaat vergroten, anderen zien de toekomst met meer vertrouwen tegemoet. Feit is dat er wel degelijk iets moet gebeuren.

Angstige Vlaamse vrouwen

In Vlaanderen zijn de problemen volgens het onderzoek van Vandoninck en Roe (2008) redelijk beperkt, althans op het vlak van computerbezit. Meer dan de helft van de ondervraagde Vlamingen verklaart dan ook dagelijks de computer te gebruiken. Het probleem situeert zich echter bij de computervaardigheden, of beter, het gebrek eraan. Zo vindt maar liefst 38% van de Vlaamse internetgebruikers dat hun technologische kennis te beperkt is. Opvallend is dat er verschillen tussen mannen en vrouwen zijn: mannen hebben veel meer vertrouwen in hun technologische kennis, terwijl de dames in het algemeen nog steeds een panische angst hebben voor computers, muizen en bekabeling.

Ook de kloof tussen de oudere en de jongere generatie wordt steeds groter in de Vlaamse steden en gemeenten. Dit heeft vooral te maken met het feit dat kinderen tegenwoordig al op jonge leeftijd geconfronteerd worden met de computer en dat ze heel snel de nodige vaardigheden oppikken, terwijl dat bij oma en opa niet het geval is (Vandoninck & Roe, 2008). Toch beschikken heel wat jongeren nog steeds niet over de computerkennis die nodig is om een job goed uit te oefenen. Minister van onderwijs, Pascal Smet, is dan ook van mening dat de digitale kloof in België gedicht moet worden door ICT feller te integreren in het onderwijs.

Naast de integratie in het onderwijs is er nog een belangrijk initiatief aan de Vlaamse kant: de digitale week. Tijdens deze campagne krijgt jong en oud de kans om op een laagdrempelige manier kennis te maken met het internet en al haar facetten. Dit jaar vond het project plaats van 21 tot en met 27 april. Onderstaand filmpje werd gebruikt om de mensen te sensibiliseren en warm te maken voor de digitale week.

Kofi Annan heeft er in 1999 goed aangedaan om de wereld te wijzen op deze problematiek. Toch is er fundamenteel iets fout met de term ‘Digital Divide’. Aangezien er geen sluitende definitie van dit begrip is en het vandaag de dag quasi onmogelijk is deze kloof te meten, hoe is het dan in godsnaam mogelijk om ze te dichten? Ikzelf moet het antwoord alleszins schuldig blijven, maar ik ben dan ook maar een oppervlakkig wezen dat al moord en brand schreeuwt als het internet vijf minuten niet werkt… (GVS)

Bronnen

  • Potter, A.B. (2006). Zones of silence: A framework beyond the digital divide. First Monday, 11(5), opgehaald van http://firstmonday.org/htbin/cgiwrap/bin/ojs/index.php/fm/article/view/1327/1247
  • Sassi, S. (2005). Cultural differentiation or social segregation? Four approaches to the digital divide. New Media & Society, 7(5), 684-700
  • The Digital Divide, did you know? http://www.itu.int/newsroom/media-kit/story10.html
  • Vandoninck, S., & Roe, K. (2008). The digital divide in Flanders: Disappearance or persistence?. Communications: The European Journal Of Communication Research, 33(2), 247-255. doi:10.1515/COMMUN.2008.014
  • Van Dijk, J. (2003). De Digitale Kloof wordt dieper: Van ongelijkheid in bezit naar ongelijkheid in vaardigheden en gebruik van ICT. Geraadpleegd via http://doc.utwente.nl/59819/1/Dijk02digitale.pdf
  • Verenigde Naties. (1999). Human Development Report 1999. Geraadpleegd via http://hdr.undp.org/en/media/HDR_1999_EN.pdf

Horrorfilm

Halloween nadert met rasse schreden, kinderen zoeken hun engste kostuum uit en mamaatjes over gans het land hollen pompoenen uit alsof het een lieve lust is. Mij zegt het niks, dat opgeklopt Amerikaans gedoe. De enige reden waarom ik toch nog eens durf zwichten voor dit gebeuren is het grote aantal horrorfilms – ik beken: ik ben een fan – die in de komende week geprogrammeerd staan.

Horror was er afgelopen week thans ook genoeg te beleven in medialand: duizenden mensen verliezen hun baan door de sluiting van Ford Genk en de dopingschandalen in het wielrennen lopen de spuigaten uit. Op de koop toe kwam gisteren de veelbesproken organisatie WikiLeaks nog eens in het nieuws met, hoe kan het ook anders, schokkende documenten. Laat het duidelijk zijn: Big Brother is watching you! En het internet speelt hierin een bepalende factor…

‘This server is too busy’

Ook Bill Clinton, ex-president van de Verenigde Staten, weet als geen ander dat mensen een grote drang hebben naar schandalen en sensatie. Zo werd hij op het einde van de jaren 90 beschuldigd van meineed na zijn affaire met stagiaire Monica Lewinsky. Iedereen herinnert zich nog de woorden ‘”I did not have sexual relations with that woman“. Clinton dacht door de mazen van het net te glippen, maar dat was buiten Kenneth Starr gerekend. De Amerikaanse rechter wilde kost wat kost aantonen dat meneer de president wel degelijk zijn echtelijk boekje te buiten gegaan was. Zijn zogenaamde Starr-rapport werd op 11 september (de doemdatum van de Amerikaanse geschiedenis) 1998 gepubliceerd op de website van het House Judiciary Committee. U kan het al raden: de meeste mensen kregen niet meer te lezen dan ‘Server is too busy’. De servers konden de massale toestroom van op sensatiebeluste Amerikanen niet aan. Moest u nog niet beseffen dat seks verkoopt, nog maar eens een bewijs…

Reporting the truth

Doorheen de jaren evolueerde het internet: de capaciteit van de servers werd vergroot en ook de gewone sterveling kon zijn zegje doen op het World Wide Web. Heel wat mensen waanden zich al snel professionele journalist en begonnen te bloggen over koetjes en kalfjes. Ook wiki’s kenden een omvangrijk succes. Mensen konden van de ene dag op de andere webdocumenten gezamenlijk bewerken. In 2007 kreeg het hele Wikiverhaal echter een bizarre wending door het ontstaan van WikiLeaks. De oprichter, Julian Assange, had een duidelijke boodschap voor de wereld: “The idea, conceived in Australia, was to use internet technologies in new ways to report the truth.”

Maar hoe werkt het nu? WikiLeaks maakt gebruik van zogenaamde klokkenluiders, mensen die nauw betrokken zijn bij overheidsdiensten en bedrijven die anoniem belangrijke informatie willen verschaffen aan de rest van de wereld. Vooral de Verenigde Staten werden al een aantal keer in nauwe schoentjes gedwongen door de gepubliceerde documenten. Zo werd de inhoud van de Republikeinse Sarah Palin haar mailbox in 2008 tentoongesteld, wat haar het schaamrood op de wangen bracht. Twee jaar later werden er ook heel wat gedetailleerde rapporten verspreid over de manier waarop het Amerikaanse leger omging met opstandelingen in Afghanistan. Hieruit bleek dat er heel wat Afghaanse burgers onschuldig werden gedood.

Meer recent is het verhaal van de VatiLeaks. Zo bezorgde Paolo Gabriele, de ex-butler van paus Benedictus XVI, heel wat vertrouwelijke documenten aan de pers. De sensatiegeile lezers smulden van deze schandalen, het Vaticaan bleef verweesd achter.

Hoofdrol

U hoort me niet zeggen dat het internet een negatieve zaak is. Het heeft ons leven, en het leven van de journalisten, op vele manieren vergemakkelijkt. Ikzelf zou me een leven zonder internet niet meer kunnen voorstellen. Blogs, facebook en twitter behoren tegenwoordig tot de standaardwoordenschat van bijna iedere persoon. Maar de aasgieren liggen op de loer. Bij elke misstap van eender welk prominent persoon zijn ze er als de kippen bij om de schandalen aan het licht te brengen. U bent dus gewaarschuwd, want voor u het weet, komt u in uw eigen horrorfilm terecht…

Bronnen

Het einde van The Guardian?

Vandaag stootte ik via Twitter toevallig op een mogelijk interessant nieuwsbericht waarin het einde van de gedrukte versie van ‘The Guardian’ werd voorspeld. Na enig speurwerk, zoals het een goede journalist betaamt, kwam ik niet tot bronnen die dit verhaal konden bevestigen. Later op de avond werd het nieuwsbericht dan ook voorzien van een update. Hierin staat dat ‘The Guardian’ alle geruchten ontkent over een mogelijke stopzetting van de papieren versie!

Een verhaal dat mijn vorige twee blogspots dus perfect samenvat. Ten eerste is Twitter niet volledig betrouwbaar en moeten bronnen nog steeds voldoende gecontroleerd worden, daarnaast wordt er wel degelijk getwijfeld aan het voortbestaan van de traditionele kranten door de opkomst van nieuwe media. Wordt ongetwijfeld vervolgd…

Glazen bol

Les om half 9 op een vrijdagmorgen, het is niet bepaald de natte droom van een student (en waarschijnlijk ook niet van de professoren), maar het hoort er wel bij. Erg goedgezind was ik dan ook niet toen ik gisterenmorgen, met uiteraard nog een halve slaapkop, de trein moest nemen in Leuven om 7.34 richting Brussel-Centraal.

Tijdens het bladeren door de Metro, die me al een ontelbaar aantal keer van de verveling heeft gered op de trein, werd mijn aandacht echter getrokken door mijn twee overburen. Beide heren waren druk in de weer met het lezen van de krant, hetzij op een ietwat andere manier. De jongste van de twee zat gretig op zijn iPad te tokkelen, terwijl de oudste met de papieren editie van De Standaard zat te knoeien.

Technofiel of neo-Luddist?

Het contrast tussen beide heren kon niet groter zijn en meteen schoten de begrippen utopisten en neo-Luddisten – zouden mijn hersenen dan toch beter werken dan ik dacht op zo’n vroeg tijdstip? – me door het hoofd. De utopisten verafgoden het internet en de nieuwe technologieën, terwijl de neo-Luddisten niets moeten weten van deze moderne ontwikkelingen.

Beide partijen zijn naar mijn mening wel nogal radicaal, de waarheid ligt waarschijnlijk ergens in het midden. De snelheid waarmee de man echter met zijn iPad werkte, af en toe een neerbuigende blik werpend op de papieren versie van zijn buurman, deed bij mij wel volgende vraag rijzen: Zit er nog toekomst in de papieren krant? Of is dit medium met uitsterven bedreigd?

Ondergang?

Hoe we het ook draaien of keren, tegenwoordig leven we in een maatschappij waarin de online nieuwsconsumptie een bijzonder grote rol speelt. Zo waren er volgens het onderzoek van Bivings Group in maart 2000 ‘amper’ 19 miljoen Amerikaanse mensen die dagelijks online het nieuws raadpleegden, in december 2005 waren dat er al 44 miljoen. In 2012 zullen dat er ongetwijfeld nog een pak meer zijn. Ben ik dan een pessimist als ik twijfel aan het voortbestaan van de traditionele krant?

De toekomst van de papieren krant ziet er ook volgens Ahlers (2006) niet bepaald rooskleurig uit. Uit zijn onderzoek blijkt dat de consumptie van deze dagbladen gevoelig afgenomen is de laatste jaren, wat onderstreept wordt in onderstaande figuur.

Maar toch is er ook nog goed nieuws voor de Neo-luddisten onder ons. Volgens Beyers is er namelijk nog geen reden tot paniek.  Uit zijn onderzoek blijkt namelijk dat het merendeel van de Belgische respondenten nog steeds de drie traditionele nieuwskanalen, radio, televisie en papieren kranten, verkiest om de actualiteit te volgen. Het belang van het internet neemt wel toe als bijkomende keuze, wat dus wil zeggen dat het vooral gebruikt wordt als aanvulling op de traditionele media.

In datzelfde onderzoek werd de vraag gesteld of de internetkrant op termijn de traditionele gedrukte krant zou kunnen vervangen. Een kleine minderheid (22,2%) was het hiermee eens, terwijl de meerderheid (52,2%) niet met deze stelling akkoord ging. Zij die er nog aan twijfelen, raad ik aan onderstaand filmpje te bekijken…

Het blijft dus koffiedik kijken of de online krant wel degelijk haar kleine zusje van de troon gaat stoten in de toekomst. Zelf heb ik geen glazen bol, maar ik ben van mening dat de ondergang van de traditionele krant nog niet meteen voor morgen zal zijn. En dat is maar goed ook, want zeg nu zelf, bestaat er een betere manier om je dag te starten dan met het lezen van de krant aan de ontbijttafel? Maar dan wel niet op een vrijdagochtend, want dan ben ik allesbehalve te genieten… (GVS)

Bronnen

  • Ahlers, D. (2006). News consumption and the new electronic media. Press/Politics, 11(1), 29-52. doi: 10.1177/1081180X05284317
  • Beyers, H. (2006). De kr@nt van morgen: nog steeds op papier? (Doctoraatsthesis). Universiteit Antwerpen, Antwerpen, België. Geraadpleegd via http://www.nederlandbreedbandland.nl/uploaded/FILES/de_krant_van_morgen.pdf
  • Bivings Group (2006). The use of the Internet by America’s newspapers. A study prepared by the Bivings Group. Geraadpleegd via http://www.bivingsreport.com/campaign/newspapers06_tz-fgb.pdf

Luiewijvenjournalistiek?

Wie is er vandaag de dag niet vertrouwd met de begrippen ‘tweet’ en ‘hashtag’? Op enkele uitzonderingen na, waar ik sterk aan twijfel of ze de laatste jaren niet op Mars vertoefd hebben, weet iedereen dat ze te maken hebben met Twitter. Dit interactieve medium is tegenwoordig de cyberplace to be om de wereld, in godzijdank maximaal 140 karakters, te laten weten wat je net gegeten hebt en hoe jammer je het niet vindt dat Philippe Geubels vandaag niet in de jury van De Slimste Mens ter Wereld zit. Toch wordt Twitter niet enkel gebruikt door een stelletje puberende jongeren op zoek naar aandacht. Integendeel, heel wat prominente personen of organisaties gebruiken Twitter als officieel kanaal om te communiceren met de buitenwereld en ook heel wat ‘gewone stervelingen’ komen wel eens met belangrijke nieuwtjes voor de dag.

Ook journalisten maken dankbaar gebruik van deze tweets. Uit een onderzoek bij 330 Belgische journalisten, uitgevoerd door Quadrant Communications bleek dat in 2011 maar liefst 51% van de ondervraagden gebruik maakte van Twitter, in tegenstelling tot amper 18% een jaar voordien. Maar is de populariteit van Twitter wel zo positief voor de journalist? Gaat hij door het enorme nieuwsaanbod door de bomen het bos nog wel zien? Evolueert hij niet te snel van ‘romantische held op straat met de regenjas’ naar een verzuurde grompot die uren voor zijn computer doorbrengt? Kortom, is journalistiek op weg naar luiewijvenjournalistiek door de opkomst van Twitter?

24 op 24, 7 op 7

Als u denkt dat ik als journalist in spe anti-Twitter ben, heeft u het echter mis. Er zijn aan het medium wel degelijk een aantal zeer grote voordelen verbonden voor een redactie. De allergrootste troef van Twitter is de snelheid waarmee het nieuws verspreid kan worden, waardoor journalisten kort op de bal kunnen spelen en hun lezers snel van het laatste nieuws kunnen voorzien. Deze ‘permanente actualiteit’ is volgens Beyers (2006) bovendien één van de vier pijlers van online journalistiek. Onderstaand filmpje onderstreept de kracht van dit platform.

Maar hoe moet de journalist dan omgaan met zo een grote verzameling aan informatie? Jan Hautekiet, journalist bij Radio 1, verklaarde hierover het volgende: “We gaan Twitter niet per se in ons nieuwe radioprogramma integreren om mee te zijn. Maar het is wel een kanaal waarlangs je heel snel reacties binnen kunt krijgen. En dan is het kwestie van de juiste dingen er uit te pikken. Natuurlijk zijn niet alle reacties even waardevol, maar dan is het aan ons om die er uit te filteren. Ik zie op Twitter heel geregeld dingen waarvan ik denk: wauw.” Het blijft dus de taak van de journalist om kritisch om te springen met dit overaanbod. Bronnen moeten wel degelijk nog steeds gecheckt en dubbel gecheckt worden.

Onbetrouwbaar

En net daar stel ik me vragen bij. Gaat de journalist er tegenwoordig, door de stijgende werkdruk en de hoge eisen van de hoofdredacteur, niet te snel van uit dat iets waar is ‘omdat het op Twitter staat’? Er zijn namelijk genoeg mensen die er plezier in scheppen valse berichten de wereld in te sturen. Meestal trappen journalisten hier niet in, maar af en toe wordt er wel voor enige verwarring gezorgd. Zo werd op 6 augustus het Twitteraccount van persagentschap Reuters gehackt, waarna er valse berichten over het conflict in Syrië in het nieuws verschenen.

Ook het programma Basta, waarin de vier heren van Neveneffecten verzonnen persberichten de wereld instuurden, heeft me doen twijfelen aan de werkwijze van sommige redacties. Uit het programma bleek namelijk dat heel wat journalisten het niet zo nauw namen met het controleren van hun bronnen waardoor er foutieve informatie in de kranten verscheen. Het leverde prachtige televisie op, maar de journalist in mij was toch vooral beschaamd en teleurgesteld.

Ik kan stellen dat Twitter heel wat potentie heeft en dat er zeker een mooie liefdesrelatie mogelijk is met de journalistiek. Maar het blijft opletten geblazen, want niet alles wat op dit medium verschijnt is waar. Twitter is een medium toegankelijk voor iedereen en dat is net het mooie, maar ook het gevaarlijke. Daarom heb ik voor de journalist één gouden raad: check en dubbel check! (GVS)

Bronnen:

Beyers, H. (2006). De kr@nt van morgen: nog steeds op papier? (Doctoraatsthesis). Universiteit Antwerpen, Antwerpen, België.
Geraadpleegd via http://www.nederlandbreedbandland.nl/uploaded/FILES/de_krant_van_morgen.pdf