And now, the end is near!

“And now, the end is near 
And so I face the final curtain”

Jawel, mijn laatste blogpost voor het vak ‘Nieuwe media en mediaconvergentie’, ik word er zowaar een tikkeltje emotioneel van. Frank Sinatra op de achtergrond zal daar ook wel voor iets mee te maken hebben zeker? Na een razend druk semester is het dan ook tijd om even stil te staan met het eindresultaat en de afgelegde weg.

Toen we in het begin van het academiejaar de uitleg van dit vak en de bijhorende opdracht kregen, was ik meteen enthousiast. Eindelijk eens een creatieve opdracht. Blijkbaar was mijn reactie iets te enthousiast, want al snel werd het duidelijk dat we onze blogs ook wetenschappelijk moesten onderbouwen. Domper op de feestvreugde, maar natuurlijk wel begrijpelijk! In het begin waren mijn blogs echter nog redelijk oppervlakkig. Na een tijdje heb ik geprobeerd om meer diepgang te brengen in mijn posts. Op dat vlak heb ik zeker een evolutie gemaakt en ik denk dat deze ook wel merkbaar is.

De onderwerpen die we moesten bespreken, waren gelukkig allemaal zeer interessant. Ik heb door dit vak een beter beeld gekregen van de nieuwe media en dat door zelf, actief op zoek te gaan naar extra informatie. Een voordeel voor mij was wel dat ik zelf al redelijk actief was op sociale media en dus al over de nodige voorkennis beschikte. Toch was het interessant om deze sociale media ook eens met een kritische bril te bekijken, want, zoals duidelijk geworden is in de loop van de maanden, is het niet alleen maar rozengeur en maneschijn. Geens (2010) verwoordde het in zijn werk op een mooie manier: “Op het internet is zowel het beste als het slechtste te vinden.’ En gelijk heeft de goede man.

Ik moet het toegeven, voor mij is het vanzelfsprekend dat ik op alle mogelijke manieren aan informatie kan geraken. Ik heb een laptop, een smartphone… Voor mij is dat tegenwoordig de normaalste zaak van de wereld, maar helaas is dat niet voor iedereen het geval. Vooral tijdens het schrijven van de blog over de digitale kloof (Let’s get digital) moest ik een aantal keer slikken. Toen werd ik met de neus op de feiten gedrukt dat ik toch wel degelijk een ‘verwend nest’ ben en dat ik mijn ‘pollekes’ mag kussen dat ik in België woon (hoewel, het weer nu niet bepaald een factor is, maar dat is een andere kwestie). Het feit dat er in 2008 in Frankrijk meer mensen over internet beschikten dan in heel Afrika was voor mij dan ook een grote wake up call!

Een andere blog waar ik veel uit geleerd heb is The great firewall, die handelde over de internetcensuur in China. Voordien wist ik wel dat er in China andere regels gelden dan hier, maar ik was niet op de hoogte dat het zo extreem was. Wij, als westerlingen, kunnen ons niet voorstellen hoe het is om in een communistisch regime zoals China te leven en begrijpen dan ook niet dat het vandaag de dag nog mogelijk is dat burgers op zo’n manieren van hun vrijheden beroofd worden. In dat opzicht heeft het bloggen mijn blik op de wereld ook wat meer verruimd.

Wat ik iets minder interessant vond, was de thematiek rond de e-democratie, de e-overheid en de e-participatie (Melancholia?). Zelf ben ik een voorstander van de campagnevoering à la Obama, ik vind dat hij een meester hierin is en ik kan niet wachten tot deze manier haar volledige intrede maakt in België. De online overheid vind ik eigenlijk wat overroepen. Op dat vlak ben ik misschien conservatief, maar ik heb nog steeds het gevoel dat dit voor mij een ver-van-mijn-bedshow is en nog een hele tijd zal blijven. Daarom vond ik het persoonlijk iets minder interessant om daarover te bloggen.

Het grootste deel van deze blogs handelde over de relatie tussen journalistiek en de sociale media, zoals Twitter en Facebook. Uit de lessen en de wetenschappelijke bronnen werd al snel duidelijk dat de relatie tussen deze twee zeer paradoxaal is. Enerzijds kan de journalist tegenwoordig niet meer zonder deze sociale media, maar aan de andere kant komt de kwaliteit van het nieuws in het gedrang. Nu ik toch in een muzikale stemming ben, With or without you van U2 is een perfecte plaat om deze relatie te omschrijven. De journalist moet vooral oppassen dat de snelheid van publicatie niet te veel de bovenhand neemt, feiten checken en dubbel checken blijft de basis voor goede journalistiek. Daarnaast wordt de journalist door de toenemende rol van sociale media verondersteld zich snel aan te passen. Vaste deadlines verdwijnen, de lezer verwacht 24u per dag nieuws via zijn smartphone en de werkdruk op de journalist stijgt zienderogen. Aan hem om zich aan te passen of er de brui aan te geven. (Deadlines? Nooit van gehoord)

Ook moest ik natuurlijk even stilstaan bij het tweede deel van de titel van dit vak, namelijk het begrip ‘convergentie’. Het werd me al snel duidelijk dat dit geen eenduidig begrip is en dat het zeer moeilijk is hier een definitie van te geven. Wat wel opvallend was, is dat er een aantal voor- en nadelen verbonden zijn met dit begrip en dat de toekomst zal uitwijzen of crossmedialiteit de moeite waard is (Survival of the fittest). Zelf sta ik hier wat sceptisch tegenover. Volgens mij wordt de journalist hierdoor een generalist, terwijl hij toch een specialist hoort te zijn. Als backpackjournalist stijgt bovendien de werkdruk en komt de kwaliteit van het nieuws opnieuw in het gedrang. En als er een ding is waar ik gevoelig voor ben, dan is het wel de kwaliteit.

Het is duidelijk, ik heb doorheen dit semester heel wat nieuwe inzichten gekregen in de nieuwe media en de mediaconvergentie. En dat was toch het doel van dit vak, niet? Op dat vlak voel ik me in ieder geval al geslaagd. Op deze manier heb ik bovendien mijn inzichten kunnen delen met andere personen, die misschien toevallig op deze blog terechtgekomen zijn. Voor hen heb ik nog een duidelijke boodschap: bedankt voor het lezen en mijn excuses voor mijn soms cynische ondertoon. Maar, om de Frank nog een keer te quoten, I did it my way… (GVS)

Bronnen:

  • E-overheid: Evolutie of revolutie? Geraadpleegd via http://arno.uvt.nl/show.cgi?fid=5399
  • Geens, D. (2010). Taal en computer: inleiding. 
  • Neumann, A.L. (2001). The Great Firewall: In the world’s fastest-growing Internet market, Chinese Communist authorities are trying hard to regulate online speech. Geraadpleegd via http://planet.botany.uwc.ac.za/nisl/Scientific_methods/attachments/Great_Firewall.pdf
  • The Digital Divide, did you know? http://www.itu.int/newsroom/media-kit/story10.html
Advertenties

Brood en spelen

londen_de_euro221 december 2012! D-day voor de journalisten in spe van de Hogeschool-Universiteit Brussel. Nee, niet omdat er voorspeld was dat de wereld die dag zou vergaan (toegegeven, door de grote hoeveelheid werk hadden we daar stiekem wel op gehoopt), maar wel omwille van het debat omtrent de impact van de nieuwe media op de journalist, het hoogtepunt van een lang en vermoeiend eerste semester.

Verschillende thema’s kwamen tijdens dit debat aan bod. Ten eerste waren er stellingen over de verschuiving van de rol van de journalist als zender. Daarnaast waren er heel wat stellingen die thuishoorden binnen verschuivingen in de journalistiek. Opvallend was dat er bij de studenten een grote vrees voor kwaliteitsverlies was. Tot slot waren er ook nog een aantal verschillende meningen over de verschuiving van het publiek en de rol van de burgerjournalistiek. Aangezien het onmogelijk is om in deze blogpost alle besproken stellingen te behandelen, ga ik me focussen op de online journalistiek. De stellingen ‘De gedrukte krant zal op termijn verdwijnen‘ en ‘De betaalmuur voor nieuwssites is een goede zaak‘ zijn hierbij mijn uitgangspunt.

De online lezer: profiel

Het belangrijkste kenmerk van online journalistiek is de snelheid waarmee nieuws verspreid kan worden. Die snelheid waarmee nieuws geraadpleegd kan worden zorgt ervoor dat de internetgebruiker steeds minder geduld aan de dag kan brengen (Paulussen, 2004, De Waal, Schoenbach & Lauf, 2005). Aikat (1998) gaat nog een stap verder en verklaart dat gebruikers van de elektronische krant oppervlakkiger omgaan met informatie dan gebruikers van de traditionele krant en dus minder onthouden. Uit een studie van De Waal, Schoenbach en Lauf (2005) met 1000 volwassen Nederlanders blijkt wel dat de online krantenlezer verklaart dat de informatie van traditionele media zoals gedrukte kranten, televisie en radio betrouwbaarder is dan die van het online equivalent. Lezers van de online krant zijn zich dus wel degelijk bewust van de gevaren en nadelen van online journalistiek, maar zien toch ook het potentieel van dit medium. (De Waal, Schoenbach & Lauf, 2005).

Talloze kranten hebben tegenwoordig al een online editie lopende, naast de traditionele gedrukte versie. Deze diensten worden echter steeds meer betalend, waardoor lezers wel eens zouden kunnen afhaken: “Als het van de mediabedrijven afhangt, is het gratis internettijdperk weldra voorgoed voorbij. Ze gaan ervan uit dat de internetgebruiker best bereid is te betalen voor ‘content’ die elders moeilijk verkrijgbaar is” (Paulussen, 2004, p. 87). Volgens Zimbalist (2003) is de consument zeker en vast bereid te betalen voor de online diensten van een krant, Forrester Research (2003, geciteerd in Paulussen, 2004) voorspelt echter de ondergang van de online kranten indien ze volledig betalend worden. Voorlopig is het nog koffiedik kijken, de toekomst zal uitwijzen of de online consument bereid is de prijs te betalen of niet (Paulussen, 2004). Zelf ben ik hier absoluut geen voorstander van.  Hoeveel kinderen zijn er niet die toevallig op een nieuwssite terechtkomen, blijven plakken en onbewust heel wat opsteken? En hoeveel mensen zijn er niet die zich geen krantenabonnement kunnen permitteren en gebruik moeten maken van het internet, dat tegenwoordig amper iets kost, om het nieuws te vernemen? Ik ben er dan ook van overtuigd dat de bevolking steeds minder op de hoogte gaat zijn van de actualiteit door het online nieuws volledig betalend te maken. De gemiddelde sterveling is namelijk niet bereid om te betalen voor nieuws en zal dan ook afhaken. Geen goede zaak dus, of is het de bedoeling om in de voetsporen van de Romeinse heersers te treden? Voorzie de mensen van brood en spelen en hou ze voor de rest zo dom mogelijk?

De online consument laat zich dus kenmerken door een grote ongeduldigheid die te wijten is aan het basiskenmerk van de online journalistiek: snelheid. Daarnaast laat hij zich ook kenmerken door een zekere rationaliteit. De online consument beseft goed en wel de gevaren van de online nieuwsconsumptie en acht nog steeds de traditionele nieuwskanalen betrouwbaarder dan de elektronische kranten. Ondanks deze rationaliteit lijkt het erop dat de online consument misschien wel bereid is te betalen voor de online diensten, hoewel ik dat sterk in twijfel trek.

Interesse van de online lezer 

Uit onderzoek blijkt dat de interessevelden van de online lezer niet helemaal overeenkomen met die van de lezer van de traditionele dagbladen. Volgens De Waal, Schoenbach en Lauf (2005, p. 3) “blijken online kranten alleen bij zeer hoog opgeleiden bekendheid met meer diverse onderwerpen te bevorderen. Gedrukte kranten dragen bij tot een groter diversiteit van maatschappelijke onderwerpen bij lezers die juist relatief weinig verschillende interesses tonen.” De Waal, Schoenbach en Lauf (2005) beweren dus dat online kranten beter geschikt zijn voor hooggeschoolde personen, terwijl een gedrukte krant een betere optie is voor mensen met weinig verschillende interessevelden.

Ook Tewksburry en Althaus (2000) hebben door middel van een experiment met een groot aantal studenten van de Midwern University in de Verenigde Staten de interessevelden van de online gebruiker proberen te achterhalen. Zij kwamen tot de conclusie dat online consumenten doorgaans minder interesse hebben in politiek, nationaal en internationaal nieuws.

papier online

Tijd besteed aan elk type artikel (Tewksburry & Althaus, 2000, p. 467)

Uit deze tabel wordt inderdaad duidelijk dat de online lezer minder geïnteresseerd is in internationaal, nationaal en politiek nieuws. Daartegenover staat dat hij meer interesse toont voor economie en sport. Artikels over kunst en vrije tijd scoren bij beide versies van de krant ongeveer even hoog. Andere soorten artikels zijn dan weer populairder bij de online lezer. (Tewksburry & Althaus, 2000).

De Waal, Schoenbach & Lauf (2005) zijn in hun onderzoek deels tot dezelfde conclusies gekomen: de online lezer is meer geïnteresseerd in economie en financiën dan de lezer van het traditionele dagblad. In tegenstelling tot Tekwsburry en Althaus (2000) kwamen ze wel tot het besluit dat artikels omtrent film, theater en literatuur populairder zijn bij de online lezer, terwijl dat in het onderzoek van Tewksburry en Althaus (2000) niet het geval is. Deze deels tegenstellende resultaten zijn volgens mij te wijten aan de verschijningsdata van de artikels (2000 en 2005). Daarnaast hebben beide onderzoeken in een verschillend land plaatsgevonden (Verenigde Staten & Nederland), waardoor de tegenstellende resultaten ook te verklaren kunnen zijn.

Het is duidelijk!  Dit debat heeft ons stof tot nadenken genoeg bezorgd voor de Kerstvakantie! Ikzelf ben tegen het afschaffen van de traditionele, gedrukte krant en tegen het betalend maken van online nieuws! Ja, je mag me conservatief vinden, je m’en fous… (GVS)

Bronnen

  • Aikat, D. (1998). News on the web. Usage trends of an on-line newspaper, Convergence 4(4): 94-110. doi: 10.1177/135485659800400409
  • De Waal, E., Schoenbach, K., & Lauf, E. (2005). Online kranten en maatschappelijke betrokkenheid: Een onderzoek naar de invloed van het lezen van online versus gedrukte dagbladen op de publieke agenda van Nederland. The Amsterdam School of Communication Research (ASCoR) Communicatiewetenschap
  • Paulussen, S. (2004). Journalistiek@Internet.be: Een studie naar de mogelijkheden en gevolgen van het internet voor dejournalistieke nieuwsgaring en nieuwsproductie. Universiteit Gent, België
  • Tewksbury, D., & Althaus, S. (2000). Differences in knowledge acquisition among readers of the paper and online versions of a national newspaper. Journalism and Mass Communication Quarterly, 77(3), 457-479. Geraadpleegd via http://www.communication.illinois.edu/salthaus/Publications/tewksb ury_althaus_2000_jmcq.pdf
  • Zimbalist, M. (2003). Introductory. In: Online Paid Content. US Market Spending Report, Online Publishers Association (OPA). Geraadpleegd via http://www.onlinepublishers. org/opa_paid_content_report_030403.pdf

Deadlines? Nooit van gehoord

DeadlineLaten we even een associatiespelletje spelen. Plaats het woord ‘journalist’ in het midden van een blad en schrijf zoveel mogelijk begrippen op die je hiermee associeert. Mijn kop eraf als er niet in minstens 99% van de gevallen het woord ‘deadline’ terug te vinden is. Natuurlijk, de journalist en deadlines zijn als het ware met elkaar vervlochten. Het beeld van de gestresseerde stakker die tot op het allerlaatste moment aan een artikel aan het werken is, vergezeld van de nodige dosis koffie of energiedrank, is niemand onbekend. Door de constante instroom aan informatie via sociale media, wordt er echter wel eens getwijfeld aan het voortbestaan van het begrip deadline.

Als journalist in spe klinkt dat in eerste instantie als muziek in de oren. Weg met de stress! Jo Caudron, auteur van het boek ‘Media morgen’ waarschuwt echter dat we niet te hard van stapel moeten lopen. Integendeel, hij is van mening dat de deadlines nog niet meteen zullen verdwijnen. De huidige generatie mediagebruikers verwacht namelijk een constante instroom van informatie. Weg droom, weg stressloze toekomst!

Ongeduldig publiek

De mens is tegenwoordig inderdaad op z’n minst gezegd een beetje veeleisend. Een schamele seconde nadat de verkiezingsuitslag bekend is, wil hij al gelezen hebben op Twitter of Facebook wie er als winnaar of verliezer uit de bus gekomen is. Informatie die 5 minuten later verschijnt? Dat is vandaag de dag al ‘not done‘ in medialand. De deadlines voor journalisten zullen volgens Caudron hierdoor ook enkel maar groter worden.

Frank De Graeve van Quadrant Communications, die ons trakteerde op een uiterst boeiend gastcollege over trends in de journalistiek, vindt het verdwijnen van deadlines helemaal geen goede zaak. “Afgaande op mijn eigen ervaringen als journalist – en nu zullen een aantal ex-collega’s ongetwijfeld geweldig beginnen te gremelen – zou die aanpak er volgens mij toe leiden dat er helemaal géén artikels meer verschijnen.” Volgens hem ligt dat niet aan een gebrek aan discipline, maar aan het feit dat de journalist een pietje precies is, die artikels of reportages steeds beter gaat proberen maken door telkens nog een kleinigheid te veranderen. Als er geen vaste deadlines zijn, gaat hij dan ook blijven verbeteren en verschijnt er uiteindelijk toch niks. Deadlines zijn dus wel degelijk nodig, anders is er geen krant, geen tijdschrift of geen televisiejournaal. Dat is zo klaar als een klontje.

Adaptatievermogen getest

Wat er wel bedoeld kan worden met deze veranderende deadlines, is dat niet alle artikels op hetzelfde moment hoeven te verschijnen. Zo zou een redactie verschillende publiceermomenten per dag kunnen inlassen, bijvoorbeeld om het uur. Op deze manier wordt het nieuws op een goede, geleidelijke manier gebracht en blijven de deadlines behouden.

Maar door de grote ongeduldigheid van de lezer of de kijker gaat volgens mij de druk op de journalisten nog groter worden. In plaats van één deadline per dag wordt een redactie nu geconfronteerd met verschillende deadlines. Iedere krant of televisiezender heeft tegenwoordig een mobiele applicatie ter beschikking waar er 24u per dag nieuws wordt aangeboden. Als journalist is het dan een kwestie om kort op de bal te spelen, want je wil natuurlijk sneller nieuws aanbieden dan de concurrentie.

Dus, even een wake up-call voor zij die stiekem hoopten dat de deadlines tot het verleden zouden gaan behoren. Door de sociale media en de nieuwsapplicaties gaat de tijdslimiet enkel maar strakker worden en gaat, volgens mij, de druk op de frêle schouders van de journalist enkel en alleen maar toenemen. In een van mijn vorige blogs heb ik verwezen naar het begrip ‘Survival of the fittest’. Eens zien wie er in de jungle van de deadlines het hoofd boven water en zich kan aanpassen en wie er kopje ondergaat… We zijn alvast gewaarschuwd! (GVS)

Bronnen

  • Gretzky, W. (2011). Skate where the puck is going to be, not where it has been. Trendrapport 2011, de experts aan het woord. Netlash.
  • Gastcollege ‘Frank De Graeve’, Hogeschool-Universiteit Brussel, 18 december 2012

iPad, youPad, wePad (opiniestuk)

BL23AugIpad3NB.jpg.525

Sinds 1 september ziet het schoolleven voor de leerlingen van het Sint-Pieterscollege in Blankenberge er ietwat anders uit dan vorig jaar. De schoolboeken hebben er namelijk plaatsgemaakt voor de iPad. Ook in een aantal andere Vlaamse scholen zijn er plannen om dit technische snufje meer en meer te integreren in het lessenpakket. Veel mensen staan echter argwanend tegenover deze verandering. Hoog tijd dat ze hun ogen eens openen voor de voordelen van dit apparaat.

Wie denkt dat de hoge prijs van het toestel een probleem vormt, moet maar eens denken aan de prijzen van de schoolboeken. “De kost van de iPad vervangt kostprijs van de cursussen”, stelt Rudi Boydens, directeur van het Blankenbergse Sint-Pieterscollege. De hoge prijs van de schoolboeken is inderdaad een jaarlijks terugkerend probleem. Bovendien moeten de leerlingen nog extra materiaal, zoals een atlas en een grafische rekenmachine, aankopen, waardoor de kosten hoog oplopen. De iPad kan hiervoor soelaas bieden, aangezien alle applicaties hierin geïntegreerd worden. Daarnaast kunnen ouders de kosten drukken door de tablet op afbetaling te kopen. We kunnen de bewering dat de iPad te duur is om in scholen gebruiken dus wel degelijk in vraag stellen.

Jonge kinderen en tieners zijn bovendien veel vertrouwder met computer en iPad dan met boeken. De overschakeling mag dan voor veel ouders problematisch lijken, voor de leerlingen is technologie de normaalste zaak van de wereld. Het is wel opletten geblazen dat de tablet geen ‘gadget’ wordt. “De iPad moet goed geïntegreerd worden in het lessenpakket en moet een toegevoegde waarde bieden”, klinkt het bij minister van onderwijs Pascal Smet. Ook al staat het beleid rond tablets in de klas nog niet op punt, er zit heel wat toekomstperspectief in dit apparaat. Het Ministerie van Onderwijs is tegenwoordig druk in de weer om de digitale kloof te dichten en zal hoogstwaarschijnlijk snel met een duidelijk plan voor de dag komen. Het is dus maar een kwestie van tijd vooraleer de iPad zich helemaal een weg baant in het schoolleven van zoon- of dochterlief.

Het gebruik van de iPad kan ook de differentiatie in het onderwijs ten goede komen. Homogene leerlingengroepen lijken ideaal, maar de werkelijkheid is niet zo rooskleurig.  Aangezien de leerlingen door de tablet niet meer gebonden zijn aan het lesmateriaal dat de leerkracht aanbiedt, kunnen ze zelf op zoek gaan naar informatie, beeldmateriaal en extra oefeningen. Zo worden de sterke leerlingen meer uitgedaagd en kunnen ook de zwakkere leerlingen op hun eigen tempo de lesinhoud verwerken. Perfect dus voor heterogene klassen, die tegenwoordig meer regel dan uitzondering zijn.

Hoe we het ook draaien of keren, we kunnen niet tegen de tabletisering van het onderwijs op. En dat moet ook niet: er zijn belangrijke voordelen verbonden aan het nieuwe apparaat. In tegenstelling tot wat veel mensen denken, is de iPad niet duurder dan de traditionele schoolboeken. Bovendien komt de tablet de differentiatie in het onderwijs ten goede. Tot slot kan de iPad uitgroeien tot een onmisbare tool voor leerlingen in het onderwijs, maar dan moet Pascal Smet wel snel met een duidelijk beleid op de proppen komen. Vergeet dus de stoffige, versleten schoolboeken en schaf uw kind alvast een iPad aan, want de jonge bengels zouden de tablet wel eens sneller nodig kunnen hebben dan u denkt.

De debiele dwazen

url1-190x300

De debiele dwazen, het zou zo een album uit Suske en Wiske kunnen zijn, maar het is pure werkelijkheid. Althans, volgens Ben Caudron, schrijver van het boek ‘Niet leuk? Mijmeringen over nieuwe media, mensen en macht‘. Tijdens zijn gastcollege wees hij ons op de pro’s en contra’s van nieuwe en sociale media. En wat blijkt? De mens blinkt uit in stupiditeit. Toch misschien stof genoeg voor een volgend album, Morjaeu en Van Gucht?

Digitale emancipatie

Maar wat zijn sociale media nu juist? Caudron zegt dat dit een heel moeilijk te verklaren begrip is omdat er zoveel verschillende meningen over zijn. Waarom behoort Facebook voor iedereen wel tot deze groep, maar denkt niemand aan e-mail als sociaal medium?

Feit is wel dat deze media onlosmakelijk verbonden zijn met de opkomst van het internet. En dat internet, dat bestaat al langer dan we denken. Al in 1971 werd er een eerste chip gecreëerd en een paar jaar later werd het internet al gebruikt als onderzoeksproject van militaire overheden in de Verenigde Staten. In de jaren 90 volgde dan de grote doorbraak bij het internationale publiek. Een nieuwe, digitale wereld ging open voor de gewone sterveling. Tegenwoordig kunnen we het internet zelfs omschrijven als een groot shoppingcenter en praatcafé. Vraag maar eens aan de gemiddelde mens waar hij zich na zijn werk- of schooluren vooral mee bezighoudt…

Maar wat nu met die sociale media? Ze laten je ten eerste toe om ergens aanwezig te zijn en een identiteit op te bouwen. Iedereen profileert zich op een bepaalde manier door het kiezen van een bepaalde profielfoto en de manier waarop hij communiceert met anderen. Caudron omschrijft de sociale media als ‘een straathoek waar iedereen met pamfletjes staat te zwaaien. Iedereen wil zijn pamfletjes uitdelen, maar niemand aanvaardt ze van de anderen.’

Het is nu eenmaal een feit: we willen dingen uit ons eigen leven delen met anderen. De mens is dan ook een sociaal wezen en vindt het leuk om relaties met andere mensen te bevestigen en te versterken. Sociale media spelen hier vandaag de dag een belangrijke rol in. Toch klikken mensen tegenwoordig zonder nadenken op de ‘vind ik leukknop’ op Facebook, gewoon omdat een goede vriend iets gepost heeft, wat op zich niet eens zo grappig of interessant hoeft te zijn. Facebook is dan ook uitgegroeid tot een populariteitsmeter. Veel vrienden, likes of reacties en mensen voelen zich goed.

Ook de manier waarop iemand zich op Facebook profileert, heeft gevolgen voor de manier waarop mensen tegenover deze persoon staan. Als iemand bijvoorbeeld alleen maar feestfoto’s post, gaan mensen denken dat dit een echte ‘party animal’  is, iemand die het niet zo nauw neemt met de verantwoordelijkheden die het leven met zich meebrengt. Zo ontstaan al snel vooroordelen, maar vergeet niet dat een mens zich dikwijls anders voordoet op Facebook dan hij in werkelijkheid is…

Facebookrevolutie

Wie tegenwoordig niet op Facebook te vinden is, wordt al snel met de vinger gewezen. (No offence, Barbara Bemelmans).  En dat is niet verrassend, aangezien er maar liefst 4,8 miljoen Belgische accounts zijn. Moest u er nog aan twijfelen, de sociale media zijn wel degelijk de rol van de traditionele media aan het overnemen. Toch zijn deze traditionele media allesbehalve met uitsterven bedreigd. De markt is enkel en alleen maar breder geworden. Media worden tegenwoordig op subtiele wijze geïntegreerd en ook de traditionele media maken gebruik van de nieuwe media. (Zie blog ‘Survival of the fittest‘). Ook de gedachtegang van mensen is sterk geëvolueerd sinds het ontstaan van het internet en de nieuwe media. Terwijl het vroeger vanzelfsprekend was om de fiets te nemen richting bibliotheek voor het opzoeken van informatie, verwachten ze nu dat ze met een paar muisklikken toegang hebben tot alles wat ze nodig hebben.

Sociale media worden tegenwoordig echter ook te pas en te onpas genoemd als oorzaak van bepaalde gebeurtenissen. Zo heeft de Westerse wereld ons tijdens de Arabische Lente proberen wijsmaken dat het om een ‘Facebookrevolutie’ ging, terwijl dat helemaal niet het geval was. Facebook en Twitter hebben wel een rol gespeeld in de mobilisatie, maar waren op zich geen oorzaken van de opstanden.  Aan de andere kant is er een grote verdraagzaamheid ten opzichte van deze platformen. Zo vindt iedereen het normaal dat Facebook bepaalde intieme foto’s censureert, maar schreeuwen ze wel moord en brand als ze betrapt worden bij het doen van iets wat niet mag.

Stupiditeit alom

Hoewel er 4,8 miljoen Belgische Facebookaccounts zijn, is 80% hiervan vooral passief aanwezig op dit platform. Amper 20% is actief bezig met het verdelen van informatie. Dit wordt de Paretoverdeling genoemd. Caudron wijst er echter op dat deze verdeling niet volledig klopt. Er wordt dan nu ook vooral gesproken over de 1-9-90%-verhouding. Slechts 1% doet echt iets op sociale media, 9% gaat hierop reageren en 90% kijkt ernaar en doet niets.

Caudron beweert ook dat ‘hoe stommer je je gedraagt, hoe meer succes je hebt’. En daar kan ik me, helaas, wel in vinden. Het potentieel van sociale media wordt dan ook niet ten volle benut. Er zijn goede, zinvolle initiatieven, die niet hadden kunnen bestaan zonder sociale media. Het grootste probleem is dat mensen echter nog steeds niet op de juiste manier omgaan met Facebook en Twitter. Correct, debiele dwazen zijn we…

En geef toe: we ergeren ons allemaal wel eens als een van onze Facebookvrienden ons weer eens meldt dat het buiten aan het regenen is. Onderstaand filmpje vat onze Facebookfrustraties nog eens op een ludieke manier samen…

Bronnen:

Survival of the fittest

title3t432x293

Wie tegenwoordig de journalistieke wereld nog wil betreden, moet tegen een stootje kunnen. Het beroep evolueert pijlsnel door de technologische nieuwigheden. De lezer verwacht 24u per dag nieuwsupdates via Twitter, Facebook of via de nieuwsapplicaties op zijn smartphone. De werkdruk van de journalist stijgt zienderogen. Ofwel past de journalist zich aan aan deze veranderingen ofwel geeft hij er de brui aan. ‘Survival of the fittest’, zoals ene Darwin het ooit zo mooi verwoordde…

Geen grenzen meer

Sinds een aantal jaren hebben de meeste mediaorganisaties een aantal drastische veranderingen ondergaan. Tameling en Broersma (2012) verklaren dat de overgang naar digitale nieuwsproductie en de opkomst van het internet een intensieve samenwerking tussen voorheen gescheiden media mogelijk maakt. Hierdoor zijn heel wat mediabedrijven terug te vinden op verschillende platformen. Kranten en televisiestations beschikken nu ook over een website en zijn terug te vinden op allerlei sociale media, radiouitzendingen beperken zich tegenwoordig niet enkel meer tot audio, maar bieden op hun website ook videofragmenten aan. Convergentie heet zoiets, de ‘overlapping’ van verschillende media.

Wie op zoek is naar een eenduidige definitie van dit begrip kan wel eens van een kale reis terugkomen. Convergentie is een zeer breed begrip en er worden bovendien verschillende soorten onderscheiden. Zo is er de newsroom convergence. Hiermee wordt bedoeld dat verschillende media, zoals radio, tv en (online) kranten zich op dezelfde plaats bevinden in plaats van in afzonderlijke gebouwen. Hierdoor zou de samenwerking tussen de verschillende media gestimuleerd worden. De VRT zette in 2007 de stap naar zo’n crossmediale redactie. De muren tussen de televisie-, radio- en internetredacties werden gesloopt en maakten plaats voor 4 themaredacties (binnenland, buitenland, sport en regio) en 3 uitzendredacties (radio, tv en internet). Binnen deze themaredacties werken verschillende journalisten die dan verslag kunnen uitbrengen voor het meest geschikte medium. Maar aan deze evolutie waren ook een aantal nadelen verbonden. De motivatie van de werknemers daalde zienderogen en het medium radio werd weggedrukt door de televisie en het internet. Het hele crossmediale idee werd bijgestuurd met als gevolg dat journalisten in hoofdzaak voor één medium bleven werken.

Een tweede vorm van convergentie is content convergence. Zo wordt een verhaal tegenwoordig aangevuld met beeld, video, audio en nog andere multimediale snufjes. De verschillende technieken om een verhaal te brengen worden tegenwoordig dus steeds meer en meer gecombineerd. Een laatste vorm van mediaconvergentie is newsgathering convergence. Dat wil zeggen dat fotografen, journalisten en uitgevers vandaag de dag veel nauwer gaan samenwerken om een verhaal te brengen. De boodschap is dus duidelijk: de journalist moet tegenwoordig een manusje van alles zijn om te overleven in de harde journalistieke wereld…

Pro of contra

De journalistiek is door de opkomst van het internet, de mobiele telefonie en de digitalisering de afgelopen 15 jaar danig veranderd. Maar is die convergentie en die crossmedialisering wel zo positief? Tameling en Broersma (2012) zijn van mening dat een groot deel van de wetenschappers vindt dat deze technieken tegenwoordig onmisbaar zijn voor goede journalistiek en een groter publiek bereik. Toch ontbreekt er volgens hen ‘universaliteit’, een formule toepasbaar voor elke nieuwsorganisatie.

De meeste journalisten zijn in eerste instantie voorstander van het convergentiesysteem. Ze denken dat het delen van bronnen, inhoud en ideeën tot betere journalistiek kan leiden en dat hierdoor de tevredenheid bij de lezer of kijker gaat toenemen. Ook zien zij convergentie als een uitdaging voor hun carrière. Ze kunnen op die manier een ander medium leren kennen en leren gebruiken en de vaardigheden worden opgekrikt. Tot slot leren ze ook hun collega’s van andere media meer waarderen, terwijl ze voordien eerder als concurrenten werden beschouwd.

Maar natuurlijk is het niet alleen rozengeur en maneschijn. Aan convergentie zijn ook een aantal nadelen verbonden. Tameling en Broersma (2012) zijn van mening dat het vaak een middel is om kostenbesparend te werken. Hierdoor stijgt de werkdruk van de journalist, want het resultaat moet hetzelfde zijn, maar er zijn minder mensen ter beschikking. Deze toegenomen werkdruk zorgt ervoor dat journalisten minder tijd hebben om actief op zoek te gaan naar nieuws en dus meer tijd achter hun pc gaan doorbrengen. Hierdoor komt de geloofwaardigheid van het nieuws in gedrang, aangezien er een grote druk is om snel te berichten over de actualiteit. Moeten we de optelsom nog maken? Convergentie lijkt er dus voor te zorgen dat de kwaliteit van het nieuws gaat dalen. En dat is, naar mijn bescheiden mening, nu toch niet de bedoeling?

Met de rugzak op pad

We kunnen het begrip convergentie niet scheiden van de term backpack journalism, die tegenwoordig ook meer en meer op de voorgrond treedt. In plaats van drie mensen, een camera-, audioman en een journalist, op pad te sturen, wordt de journalist nu verondersteld in zijn eentje verslag te maken van een gebeurtenis. De journalist heeft hierdoor heel wat meer voldoening en kan meer vaardigheden oefenen en heeft zelf een grotere controle over het afgeleverde werk. Maar er is ook een keerzijde van de medaille. De werkdruk neemt opnieuw toe, de werkzekerheid wordt bedreigd en de kwaliteit van het eindproduct komt in het gedrang. Ook ontstaat er ‘deskilling’, het verliezen van specialisatie op 1 terrein. De journalist evolueert door convergentie ook meer van een specialist naar een generalist, iemand die van alle markten iet of wat thuis is, maar in niks meer gespecialiseerd is.

Convergentie, het is een mooi begrip. Op papier althans. Zelf ben ik van mening dat de kwaliteit van het nieuws nog steeds primeert op al de rest en als deze kwaliteit door de crossmedialiteit niet meer gegarandeerd kan worden, laat ons deze begrippen dan maar snel afvoeren. Darwin had het over ‘survival of the fittest’, zij die zich het best aanpassen zullen overleven. Als de werkdruk en de werkonzekerheid nog gaat toenemen, wie gaat er dan nog moeite doen om zich te adapteren? Sad, but true story…

Bronnen

  • Gordon, R. (2003). The Meanings and Implications of Convergence. In K. Kawamoto (ed.), Digital Journalism. Emerging Media and the Changing Horizons of Journalism (pp. 57-73). Lanham: Rowman & Littlefield.
  • Tameling, K., & Broersma, M. (2012). Crossmediale dilemma’s. De zoektocht naar convergentie bij Nederlandse nieuwsmedia. Geraadpleegd via http://www.rug.nl/staff/m.j.broersma/tamelingbroersma_crossmedialedilemmas.pdf
  • Vergeer, M., Pleijter, A., Hermans, L. (2011). Journalists’ multiskilling in the digital age. Geraadpleegd via http://www.slideshare.net/maver/journalists-multiskilling-in-the-digital-age

No stress!

Jawel, geachte HUB, u mag het gerust weten. Ik heb u de laatste weken stevig vervloekt. Masterproef, paper over de beeldvorming van China in de media (jawel, ik heb hem net op tijd klaargekregen), interviews… Noem maar op. Tot mijn grote spijt heb ik dan ook deze blog wat moeten verwaarlozen.

Maar niet getreurd, want er volgen nog 5 (hopelijk) interessante blogs over de ‘Nieuwe mediawereld’. Stay tuned…

Gunter


stress

The Great Firewall

Ze slurpen, rochelen en spugen, hun toiletten hebben geen deuren, ze maken, tot vervelens toe, van alles en iedereen foto’s en er heerst een dikke laag smog over hun land. Laat het duidelijk zijn, de vooroordelen over Chinezen en China zijn tegenwoordig niet meer op één hand te tellen. Maar hoe we het ook draaien of keren, de Chinese populatie is en blijft een buitenbeentje. Ook op het vlak van internetgebruik zijn er grote verschillen met onze West-Europese gebruiken: waar wij vrij kunnen surfen naar eender welke website, heerst er in China een strenge censuur op bepaalde websites, The Great Firewall

Rood licht

Volgens Neumann (2001) moeten we de oorzaak van de Chinese censuur gaan zoeken in het jaar 2000. Huang Qi, een van de oprichters van de eerste Chinese website van de rechten van de mens, werd ervan beschuldigd het gezag van de staat te ondermijnen. Vooral zijn kritiek op het Tianmenprotest van 1989, waarbij heel wat studenten op gruwelijke wijze werden vermoord op het Plein van de Hemelse Vrede, schoot bij de staat in het verkeerde keelgat. Huan werd gearresteerd, maar een aantal aanhangers slaagden er snel in de inhoud van zijn website te kopiëren naar Amerikaanse servers, zodat de website beschikbaar bleef voor de Chinezen.

De media in China werden altijd gebruikt als een soort propagandamiddel voor het communisme. Zo worden alle televisiezenders en kranten beheerd door de overheid en wordt het private initiatief volledig de kop ingedrukt. De opkomst van het internet vormde echter een bedreiging voor deze staat, maar China was niet van plan zich hier zomaar bij neer te leggen. Zo werden West-Europese nieuwswebsites en controversiële Chinese sites sinds de invoering van het internet in 1995 meteen geblokkeerd.

Maar de Chinese machthebbers gingen nog een stapje verder. Zo kwam er een regelgeving die toezag op het gebruik van het internet. Pornografische websites werden geband, informatie die de eenheid van het land kon beschadigen werd ogenblikkelijk verwijderd. Ook de populaire chatrooms werden streng gecontroleerd door de overheid. Onderwerpen die taboe waren of die de tekortkomingen van China blootlegden, werden meteen afgeblokt. China trakteerde zijn burgers dus steevast op een rood, communistisch licht als ze iets wilden publiceren dat niet in het kraampje paste…

Een voorbeeld van deze censuur vinden we volgens Geens (2010) als we bij Google afbeeldingen het trefwoord ‘Tianmen’ ingeven. Wij krijgen dan een scherm te zien met beelden van tanks die in 1989 een studentenopstand bloedig onderdrukten. Een Chinees die exact dezelfde term gebruikt, krijgt enkel toeristische plaatjes te zien.

Geen Twitter & Facebook

Ook de populaire sociale netwerksites zoals Facebook, Twitter en Youtube zijn sinds 2009 in de volksrepubliek China niet toegelaten (Canaves, 2011). Vele Europeanen zouden zonder deze websites amper weten wat aan te vangen met hun leven, maar de Chinezen hebben hiervoor wel een werkend alternatief gevonden. Canaves (2011) verklaart dat er heel wat ‘copycat services’ zijn waar de gemiddelde Chinees al zeer tevreden mee is. Zo is er RenRen, de facebook look-a-like, WeiBo, het Chinese broertje van Twitter en YouKu, het alternatief voor Youtube.

De Chinese burger kan dus tegenwoordig wel degelijk zijn mening verkondigen aan de buitenwereld, zij het via andere platformen. Uit het onderzoek van Canaves (2011) en Wang (2012) blijkt trouwens dat er in China veel meer bloggers zijn dan in de Verenigde Staten en dat de Chinees veel meer tijd op het internet doorbrengt, ondanks de strenge censuur. Toch rijst er heel wat kritiek op Chinese firewall. Zo waren er heel wat aan-hun-twitteraccount-verslaafde tennisspeelsters en -spelers die tijdens de toernooien van Peking en Taipei steen en been klaagden. “Het is onbegrijpelijk dat er tegenwoordig nog zo’n strenge internetcensuur heerst. Het is voor ons, tennissers, belangrijk om actief te zijn op Twitter en Facebook. Het is vaak een van de weinige manieren om contact te houden met vrienden en familie ver weg.”, verklaarde een verontwaardigde Sorana Cirstea uit Roemenië.

Grass mud horse

Heel wat Chinezen zijn dus nog steeds niet tevreden met de gang van zaken in hun land en proberen dan ook iets aan deze hachelijke situatie te doen. Zo is The grass mud horse het symbool geworden van de opstand tegen de Chinese internetcensuur. De naam is afgeleid van van het Mandarijnse begrip cào ni ma, wat, excuseer voor mijn taalgebruik, fuck your mother betekent. Hoe dan ook, het beestje is enorm populair geworden in China en wordt dan ook erg vaak gebruikt in video’s en cartoons. Ook zijn er tegenwoordig de nodige pluchen grass mud horses op de markt te verkrijgen. Die Chinezen toch, we kunnen het zo gek niet bedenken…

Het succes van dit onschuldig ogend beestje is niet te omvatten. Wang (2012) verklaart in zijn onderzoek dat het paardje zelfs toegang gevonden heeft tot de Amerikaanse mainstream media, zoals de New York Times en The Times. China zelf was niet opgezet met deze vorm van opstand en, hoe kan het ook anders, censureerde de term op de verschillende zoekmachines. Ergens te begrijpen natuurlijk, de commercialisering van the grass mud horse leunt dan ook veel dichter aan bij het kapitalisme, dan bij de communistische waarden die nog steeds in het land gelden…

Tegenwoordig zijn er ook al heel wat Chinezen die door de mazen van het digitale net weten te glippen en via achterpoortjes toch de gewenste informatie kunnen publiceren en raadplegen. Deze zijn echter nog steeds meer uitzondering dan regel en de afschaffing van de internetcensuur in China lijkt dan ook nog niet meteen voor morgen te zijn.

Nog steeds niet goed begrepen hoe The Great Firewall nu juist in elkaar zit? Onderstaand filmpje vat heel deze blogpost nog eens samen… (GVS)

Bronnen

  • Canaves, S. (2011). China’s Social Networking Problem. Geraadpleegd via http://ai.eller.arizona.edu/mis510/other/China’s%20social%20networking%20problem.pdf
  • Clayton, R., Murdoch, S., & Watson, R. (2006). Ignoring the Great Firewall of China. Geraadpleegd via http://moritzlaw.osu.edu/students/groups/is/files/2012/02/Clayton_Formatted.pdf
  • Geens, D. (2010). Taal en computer: inleiding. 
  • Neumann, A.L. (2001). The Great Firewall: In the world’s fastest-growing Internet market, Chinese Communist authorities are trying hard to regulate online speech. Geraadpleegd via http://planet.botany.uwc.ac.za/nisl/Scientific_methods/attachments/Great_Firewall.pdf
  • Wang, S. (2012). China’s Internet Lexicon: Symbolic meaning and commoditization of Grass Mud Horse in the harmonious society. Geraadpleegd via http://firstmonday.org/htbin/cgiwrap/bin/ojs/index.php/fm/article/viewArticle/3758

Melancholia?

“Waar is den tijd van toen
die goeien tijd van toen ge met ‘ne frang
nog wondere kon doen”

Vrees niet, ik ben allesbehalve melancholisch. Maar toen ik afgelopen weekend dit stukje uit een nummer van de Strangers (jawel, mijn vader is fan) hoorde, moest ik toch even stilstaan bij alle veranderingen die zich de afgelopen jaren hebben voorgedaan. Zo herinner ik mij maar al te goed mijn blijdschap bij het krijgen van 100 frank van mijn grootouders en hoe vervelend het was om die onhandige eerste identiteitskaart in mijn portefeuille te krijgen. Tegenwoordig kunnen we ons zulke taferelen niet meer voor de geest halen, tijden veranderen en we moeten mee met onze tijd, willen of niet…

Online overheid

Waar we een aantal jaren geleden nog voor de kleinste pietluttigheid naar het stadhuis moesten trekken, kunnen we tegenwoordig bijna alle problemen via het internet oplossen. Zo is er vandaag de dag de e-overheid, het digitale broertje dat het contact tussen burgers en de overheid zou moeten vergemakkelijken. Op papier oogt dit allemaal heel mooi, maar de realiteit is toch minder rooskleurig. De e-overheid is namelijk eerder een middel om administratieve hervormingen door te voeren.

Het rapport Boosting the Net Economy (2000) waarschuwt ons zelfs dat de e-overheid een grensoverschrijdend karakter kan aannemen. Er wordt nog niet gevreesd dat nationale overheden in de wereld moeten concurreren om de gunsten van hun onderdanen, maar het is wel duidelijk dat we wel degelijk moeten opletten met deze digitale overheden. J.E.J. Prins (2001, p. 1) verklaart hierover het volgende: “In een virtuele wereld waar nationale grenzen hun relevantie verliezen en burgers vrij toegang hebben tot de wereldwijd beschikbare informatie en diensten, zullen deze burgers zich ook in toenemende mate bewust worden van de verschillen tussen wat hun eigen nationale overheid heeft te bieden en wat er in het buitenland ‘te koop’ is.”

Het blijft dus voorlopig nog koffiedik kijken hoe deze E-overheid gaat evolueren. Zoals bij vele aspecten van de technologie het geval is, zit er hierin heel wat potentieel, maar de mogelijke gevaren en problemen mogen we niet zomaar naast ons neerleggen.

In love with Obama

Maar niet alleen op overheidsvlak kent de digitalisering een boost, ook de politiek en de digitalisering gaan steeds meer hand in hand. De nieuwe technologieën worden door politieke partijen en verkiezingskandidaten dan ook steeds meer en meer gebruikt om campagne te voeren. In België staat dit fenomeen nog in de kinderschoenen, maar in de Verenigde Staten is het al volledig ingeburgerd.

De doelstelling van deze e-campagnes is een grotere mobilisatie van de kiezer. Onzin volgens u? Ga dan maar eens een hartig woordje bespreken met Barack Obama. De Amerikaanse president voerde namelijk hevig campagne via sociale netwerksites. Daarnaast maakte Obama ook gebruik van de zogenaamde MyBo databases. Via http://my.barackobama.com kon de Amerikaanse burger zich kandidaat stellen als vrijwilliger of een som geld doneren via het internet. Ook op YouTube was de kersvers herkozen president zeer actief tijdens zijn campagnevoering, zo zijn er meer dan 1800 filmpjes van hem te vinden.

En over Youtube gesproken, herinnert u zich nog de Obama Girl die in 2008 opstal maakte met een filmpje waarin ze haar adoratie voor de presidentskandidaat niet onder stoelen of banken stak? Wie dacht dat de populariteit van Obama hierdoor zou slinken, was aan het verkeerde adres. Natuurlijk wil ik jullie deze internetsensatie niet onthouden…

Bij de verkiezingen van dit jaar verscheen er zelfs een filmpje van de Obama boy. Naar aanleiding van het pro-homohuwelijkstandpunt van Obama, publiceerde hij zijn eigen R&B-versie van ‘I have a crush on Obama’.

Of Obama zijn herverkiezing alleen maar te danken is aan zijn e-campagne, hoor je mij niet zeggen. Feit is wel dat het internet volgens Talbot (2008) een zeer positieve invloed heeft gehad op de populariteit van Mister president. Toch was Obama niet de eerste die digitale campagne voerde. Howard Dean, eveneens een democratische Amerikaanse politicus, slaagde er in een zeer succesvolle internetcampagne op poten te zetten waarbij hij heel wat steun van de bevolking kreeg en waardoor er heel wat geld in het laatje kwam. Ondertussen horen blogs, podcast, sociale netwerksites zoals Facebook en Twitter en Youtube al tot het gewone elektorale arsenaal in de States. Europa hinkt echter nog wat achterop, maar het is slechts een kwestie van tijd vooraleer de verkiezingsgekte ook op het internet zijn intrede maakt.

Burgers baas!

E-democratie betekent volgens Van Gompel, Steyaert en Kerschot (2007) het gebruik van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën. Het internet, smartphones en de digitale televisie bieden hierbij heel wat mogelijkheden. Door deze nieuwe technische snufjes kan ook de gewone sterveling steeds actiever deelnemen, participeren, aan het politieke gebeuren in een land.

Van Gompel, Steyaert en Kerschot onderscheiden in hun onderzoek vier gradaties van participatie. Ten eerste wordt de burger door de overheid geïnformeerd en op de hoogte gehouden van het beleid. Daarnaast vraagt de overheid haar burgers tegenwoordig ook om feedback te geven over datzelfde beleid. Ten derde kunnen inwoners van een land nu ook actief deelnemen en meedenken met de overheid. Ze kunnen namelijk zelf beleidsproblemen en zelfs oplossingen formuleren. Tot slot kan de burger tegenwoordig rechtstreeks meebeslissen met de overheid. Er is dus sprake van een hiërarchische verdeling, hoe hoger men op de ladder gaat, hoe meer actieve inbreng een burger kan hebben.

E-participatie is dus de manier bij uitstek om maatschappij en politiek op elkaar af te stemmen. Doordat ze kunnen participeren, geven inwoners veel preciezer weer wat hun wensen, problemen en behoeften zijn. Er is echter een probleem met de representativiteit: de stem van de sterk gemotiveerde minderheid gaat namelijk zwaarder doorwegen dan die van de minder geïnteresseerde minderheid. Zo gaat Jan met de pet, die misschien wel zeer belangrijke punten heeft aan te merken, minder snel aanhoord worden dan een grote groep die collectief gaan participeren.

Om eerlijk te zijn, de e-participatie en de e-overheid zijn voor mij een ver-van-mijn-bedshow. En dat mag, als het van mij afhangt, nog zo even blijven. Ik ben zeker een voorstander van de digitalisering, maar we moeten hier niet in overdrijven. Ik zie mijn buurvrouw van 73 nog niet dadelijk gebruik maken van de website van de overheid. En het is toch net de bedoeling om de digitale kloof te dichten? Niet nog een beetje groter te maken… Hmm, ik zei dat ik niet melancholisch was, maar nu begin ik er toch zelf wat aan te twijfelen… (GVS)

Bronnen

Digitale mosterd

“Journalisten geloven de leugens van politici niet, maar ze verspreiden ze wel. Dat is nóg erger!” Coluche verwoordde op een harde manier het beeld dat veel mensen helaas over journalisten hebben. Maar is dit beeld wel correct en staan onze kranten en nieuwsuitzendingen echt vol met quatsch en kwakzalverij? Zowel de plaatselijke reporter als de populaire Rudi Vranckx zou wel degelijk zijn nieuws moeten controleren vooraleer het de wereld in te sturen. Maar gebeurt dat wel? En waar haalt de journalist tegenwoordig zoal zijn mosterd?

Tijdsgebrek

Het proces van nieuwsgaring verloopt volgens Machill en Beiler (2009) in drie fasen. De journalist gaat eerst op zoek naar een onderwerp en schat hiervan de relevantie in. Daarna volgt de cross checking, waarbij zowel de feiten als de bron gecontroleerd worden. Tot slot werkt hij zijn idee uit en zoekt indien nodig wat extra, relevante informatie. Klinkt op papier allemaal heel mooi, toch? De realiteit oogt echter minder fraai…

Het proces van cross checking wordt namelijk regelmatig nogal vanzelfsprekend behandeld. Zo besteden de journalisten volgens Machill en Beiler slechts 11 minuten per dag aan het checken en controleren van bronnen op betrouwbaarheid en correctheid. De belangrijkste reden hiervoor is tijdgebrek. Het leven van de journalist laat zich dan ook kenmerken door haast, time management is uitermate belangrijk. En net daar wringt soms het schoentje. Helaas kiest de journalist te vaak voor de simpelste manier en gaat hij er te dikwijls vanuit dat de verkregen informatie wel waar is. (Zie blog ‘Luiewijvenjournalistiek?‘)

Op weg naar een bureaujob?

Maar van welke bronnen maakt de journalist dan zoal gebruik in die schamele 11 minuten? Oorspronkelijk haalde hij onder andere de nodige informatie uit persconferenties en andere media. Ook informanten en woordvoerders speelden een belangrijke rol in het proces van de nieuwsgaring. Uit een onderzoek van Raeymaeckers, Paulussen en De Keyser (2008) wordt duidelijk dat 60% informatie haalde bij collega-journalisten en dat ook politici, geheime informanten en bekende Vlamingen populair waren.

Vandaag de dag kunnen we ons dergelijke ouderwetse taferelen bijna niet meer voorstellen. Het internet is namelijk niet meer weg te denken uit ons leven en ook in de journalistiek won dit medium snel aan popluriteit. Paulussen (2004) kwam in zijn onderzoek dan ook tot een paar interessante resultaten. Aan de hand van enquêtes bij 1026 Vlaamse beroepsjournalisten concludeerde hij dat, net zoals in de Verenigde Staten, het internet een zeer belangrijk instrument geworden is voor de journalist. E-mail is de meest gebruikte toepassing van het internet bij journalisten, gevolgd door websitebezoek en zoekmachines. Het World Wide Web heeft bovendien niet alleen een communicatiefunctie, maar ook een informatiefunctie. Het is namelijk uitgegroeid tot de bron van informatie bij uitstek voor journalisten. Vooral zoekmachines, persarchieven en nieuwsbrieven worden veel geraadpleegd. Discussielijsten, chat en nieuwsgroepen zijn nog niet zo populair bij de journalist. De belangrijkste reden voor de journalist om zich op het wereldwijde web te geven is het volgen van de actualiteit. Daarnaast wordt het ook gebruikt om doelgericht informatie te zoeken, andere media te volgen, persberichten te lezen en informatie te controleren.

De invloed van het internet op de journalistiek (Paulussen, 2004, p. 241)

In bovenstaande tabel worden de gevolgen van het internet voor de journalist op een rijtje gezet. Hieruit blijkt dat er een aantal voordelen verbonden zijn aan het internetgebruik. Zo verklaart 60,2% van de ondervraagde journalisten dat ze door het internet sneller informatie kunnen vinden. Daarnaast is 51,3% het ermee eens dat ze meer informatie kunnen verzamelen dan vroeger door het internet. 38,7% van de journalisten beweert bovendien dat ze op het internet bronnen tegenkomen die ze anders nooit zouden vinden. Aan de andere kant beweert ook een groot deel (58,9%) van de ondervraagden dat ze door het internet te kampen krijgen met onbetrouwbare informatie. Uit het onderzoek blijkt ook dat door de opkomst van het internet de nood aan technische vaardigheden bij de journalist stevig toegenomen is. Daarnaast is er ook een aanzienlijk deel van de journalisten dat denkt dat de journalistiek aan het evolueren is naar een ‘saaie bureaujob’ door deze nieuwe technologieën.

De opkomst van het internet heeft dus zeker heel wat voordelen met zich meegebracht voor de journalist. Zo kan hij sneller aan een grotere hoeveelheid informatie geraken en kan hij zelfs informatie raadplegen die hij zonder het internet nooit gevonden zou hebben. Daartegenover staat wel dat de journalist tegenwoordig meer werk achter zijn bureau verricht, moet beschikken over meer technische vaardigheden om goed te werken met de computer en het internet en dat hij regelmatig met dubieuze informatie wordt geconfronteerd. Bovendien heeft het internet als bron niet geleid tot minder afhankelijkheid van officiële nieuwsstromen en -bronnen.

Wat met Facebook en Twitter?

Naast de ‘traditionele’ websites zien we de laatste jaren nog een nieuw digitaal fenomeen opduiken als journalistieke bron, namelijk de sociale media. Sommige mensen zien Facebook en Twitter als de redding in nood, anderen staan hier zeer sceptisch tegenover. Feit is wel dat in 2009 amper 9% van de beroepsjournalisten op Twitter te vinden was, terwijl dat dit jaar al meer dan de helft (51%) een account blijkt te hebben. Facebook wordt zelfs door 64% van de journalisten gebruikt. (Quadrant Communications, 3 mei 2012).

Vooral Twitter bewijst tegenwoordig zijn nut voor de journalistiek. Zo kan een journalist via Twitter snel een zicht krijgen op het belangrijkste nieuws en kan hij via de zogenaamde hashtags (#) gericht zoeken naar informatie. Toch moeten we nog steeds opletten, want te vaak verschijnt er valse informatie op dit medium. Tegenwoordig wordt de hashtag #unconfirmed wel gebruikt, waardoor de journalist wel degelijk even aan de alarmbel kan gaan rinkelen.

Een goede raad…

Het is dus maar de vraag of de opkomst van het internet als journalistieke bron wel degelijk zo een zegen geweest is voor ons geliefkoosde beroep. De journalist moet in de korte tijd die hij heeft dan ook kritisch zijn ten opzichte van de geraadpleegde websites. Een handig hulpmiddel hierbij zijn de 5 W-vragen. (Wie vertelt mij dit nieuws? Wanneer vertelt hij mij dit? Waar speelt het feit zich af? Waarom vertelt hij dit? Wat vertelt hij eigenlijk?)

Daarnaast is het ook belangrijk dat de journalist de websites fatsoenlijk controleert. Als het kleurgebruik te flashy is, er geen informatie te vinden is over de auteur of geen bronvermelding vermeld staat, mag er wel eens getwijfeld worden aan de betrouwbaarheid van dit bericht. De digitale mosterd mag dan wel aantrekkelijk lijken, maar met het oude, vertrouwde recept is nog steeds niks mis… (GVS)

Bronnen

  • Michiele, M. & Beiler, M. (2009). The importance of the internet for journalistic research. A multi-method study of the research performed by journalists working for daily newspapers, radio, television and online. Journalism Studies, 10(2), 178-2003.
  • Paulussen, S. (2004). Journalistiek@Internet.be: Een studie naar de mogelijkheden en gevolgen van het internet voor de journalistieke nieuwsgaring en nieuwsproductie. Universiteit Gent, België
  • Quadrant Communications (2012, 3 mei). Meerderheid Belgische journalisten gebruikt twitter [persbericht].
  • Raeymaeckers, K., Paulussen, S. & De Keyser, J. (2008). De beroepsjournalist in 2008: een profielstudie (deel 3, slot). De Journalist, september, 6-8.